woensdag 30 november 2022

Hersenspinsels 1

Het is moeilijk om de wereld die nog niet zichtbaar is te beschrijven in woorden, maar ik wilde altijd al een prentenboek maken. 

Waar te beginnen vooral en, of ik het thematisch moest aanpakken is niet echt mijn ding. Ik werk nog altijd intuïtief en waar mijn hoofd me heen brengt. Chaotisch dus. 

Het is niet dat ik niet thematisch kan werken, maar zoiets als dit moet juist geen logica hebben. Naar mijn idee is de invulling van de kijker dan een aanvulling op het beeld. De ene dag wil ik de schoonheid ontdekken van mooie wezens en de andere dag wil ik juist laten zien dat schoonheid maar een laag is. Of juist andersom. 

Ik vraag me heel vaak af waar het idee van een perfect plaatje vandaan komt. Bijvoorbeeld als ik kijk naar hoe mode wordt gepresenteerd, of waarom dromerige plaatjes altijd meer aanspreken dan een beeld wat imperfectie weergeeft. 

Ik heb lang niets gehad met abstracte kunst, omdat ik mijn hoofd er niet omheen krijg. Naar kunst kijken moet altijd iets oproepen. Althans bij mij. Dat heb ik heel vaak niet met abstracte kunst.

‘Fantasy art’, of vertaald, fantasiekunst wordt voor mijn gevoel te vaak buiten het ‘kritisch kunst kijken’ geplaatst, terwijl juist dat thema heel veel mensen aanspreekt en het kunst toegankelijker maakt. Althans dat denk ik. 

Ik ben nog steeds een groot fan van surrealistische beelden. Ik hou nog steeds van Salvador Dali, Rene Magritte, of een Nederlandse surrealistische schilder die ooit bij mij in de straat woonde, Peter Boekholt. 

Dus kunst die ‘naar de waarneming’ wordt gemaakt heeft bijna altijd eerder mijn aandacht dan een abstract beeld. 

Toch kan abstracte kunst wel degelijk verwondering oproepen. Als ik er iets in zie dat herkenbaar is voor mij, dan is het alsof het een droom is die een beeld op zijn plaats zet, ook al heeft de kunstenaar het vaak helemaal niet zo bedoeld. Abstracte kunst kan ook conceptueel zijn, maar dan is het verhaal al ingevuld en is de invalshoek om er naar te kijken al heel anders. Het maakt in zekere zin het kijken naar abstracte kunst veel makkelijker, omdat het verhaal achter het maakproces dan al bekend is, waardoor je begrijpt wat er met die krabbels op een doek worden bedoeld. En nee, dat kan een kleuter van 4 nog niet. 


Ik hou ook van organische vormen. Misschien heeft dat ook wel te maken met mijn liefde voor de natuur, voor het buiten rondlopen en te kijken naar opvallende vormen in takken en bomen. 

Wat ik een bijzonder voorbeeld vind is dat we in een prachtig natuurgebied wonen. Er meandert een kleine beek, er is bos, stukken weiland en dan op een bepaalde plek heb je ineens uitzicht op een industrieterrein. Niemand die ik ken vindt het een mooi uitzicht. Maar toch staat dat industrieterrein er. Zielloze blokkendozen en het geluid van de snelweg maken zo’n depressief beeld af. 

En hoewel het niet mooi is, geeft het voor mij een realiteit weer, die aangeeft dat er zelfs in lelijkheid kunst kan bestaan. Want ook al is dat industrieterrein vooral praktisch, het is een ‘kunst’ om het precies daar neer te zetten waar mensen juist komen kijken naar de schoonheid van de natuur. 

Daarmee wil niet ik zeggen dat er dan maar meer industrieterreinen gebouwd moeten worden. De plaats van dat terrein is absurd natuurlijk. Maar dat is ook een stroming, absurdisme.. wellicht uitgevoerd door een verveelde landschapsarchitect bij de gemeente.  


Het geeft wel stof tot nadenken. Als ik een prentenboek wil maken, dat niet in de hoek van het zoveelste fantasy art-boek terecht moet komen, wat moet ik dan veranderen in de beelden waar ik als kind mee ben opgegroeid? Wat maakt mijn beeld minder cliché?




zaterdag 1 oktober 2022

Kou

 





Of het een koude winter wordt, kan ik nooit goed voorspellen. Voor mijn gevoel krijgen we die niet meer.

Wat me wel zorgen baart is dat er steeds meer mensen in de kou staan door de torenhoge energierekeningen die als een sneeuwbui, huishoudens binnen stromen. 

Wij hebben het nog goed voor elkaar hier. Al zou ons huis zeker beter geïsoleerd kunnen worden en hebben we een oude houtkachel, die als het buiten rond de 10 graden blijft het hele huis op een temperatuur houdt tussen de 18 en 21 graden. 

Ik kan me niet herinneren dat ik het ooit koud heb gehad toen ik nog bij mijn ouders woonde. Als kind hadden we ook een houtkachel en op mijn kamertje boven kreeg ik wel een elektrisch kacheltje die ik alleen aan mocht als ik daar mijn huiswerk zat te maken. En als ik me daar niet aan hield (geloof me ik was geen makkelijke puber) moest ik mijn huiswerk gewoon beneden aan de tafel maken. 

Sowieso was het daar altijd warm in de winter met die houtkachel. 

En mijn kast lag vol met warme wollen truien. 

Dus ik had het nooit koud. 

Ik vraag me soms af hoe dat met mijn opa en oma ging. Die hebben echt jarenlang in een huis gewoond met alleen een gaskachel. Centrale verwarming was er niet. Die gaskachel ging alleen hoger dan de waakvlam als het echt onder 0 was. En toen ze echt ouder werden ging die ‘s avonds ook nog wel eens aan. 

Mijn oma vertelde dat, toen ze nog jong was, de kachel in de boerderij het centrale punt was van het huis. Alleen herenboeren hadden in elke kamer een vuurplaats maar de kleinere boerderijen hadden een kolen/turf/houtkachel waar ook op werd gekookt. 

Buiten was vaak ook nog een kookplaats met vuur waar werd gewassen en warm stromend water was er zeker niet. 

Een bad bestond alleen: op zaterdagen uit moeders die voor het hele gezin een wastobbe vol goot met kokend water. Aangezien de gezinnen in die tijd nogal groot waren moest iedereen in dezelfde wastobbe. 

Aangenaam warm water vond mijn oma. Ik kon me er niets bij voorstellen, hoewel mijn vader toen ik jonger was het ook normaal vond om in mijn gebruikte badwater te stappen om niets te verspillen. 

Later, veel later bleek dat gewoon niet zo hygiënisch. En was er gewoon een snelle douche. 

Een centrale verwarming hadden we niet, hoewel mijn vader die later wel heeft geïnstalleerd in mijn ouderlijk huis. 

Toen ik op kamers ging had mijn eerste kamer ook geen centrale verwarming. Ik woonde op een zolderkamer en kan me daarvan ook niet herinneren dat ik het ooit koud had. Beneden was wel centrale verwarming en die stond volgens mij zelfs in de zomer aan, want ja, studenten met all in-huur letten in die tijd niet zo op de stookkosten. 

Wat een verwennerij! En wat is de geschiedenis van echte kou toch lang geleden! 

Althans totdat ik vandaag dus las dat we bijna 30 jaar of langer terug zijn geworpen in de tijd. Een tijd waarin het normaal was om kou te verdragen. De gasrekeningen zijn zo enorm hoog dat minima het nu al koud hebben…


Ruim een jaar geleden ontdekte ik de Wim Hof Methode (WHM) niet omdat ik het altijd koud of warm had, maar omdat ik op zoek was naar een manier om meer energie te krijgen en de artsen al tegen me hadden gezegd dat ik moest leren leven met mijn chronische ziekte, met als handicap, stukken minder of geen energie. 

Ik ben in de zomer begonnen met: jawel, koud douchen. En de bijbehorende ademhalingsoefeningen. Bij hete dagen helemaal geen straf. 

Ik wilde ook afvallen, want door dat gebrek aan lichamelijke energie kwam ik toch ook wel wat meer aan. 300 meter wandelen was al te veel. Maar de eerste keer dat ik het probeerde gaf me zo’n kick dat ik gelijk 7km wandelde alsof ik nooit anders had gedaan. 

Ik snapte er niets van. Maar je begrijpt wel dat er mee ophouden geen optie was. 


Elke dag werd ik wakker, stapte buiten onder de koude tuindouche, deed de ademhalingsoefeningen en ben ik inmiddels terug op een veel hoger energieniveau dan ik ooit voor mogelijk heb kunnen houden. 

In het begin deed ik dit 15 minuten per dag. Eerst een set van 3 die in totaal 11 minuten duurt en het koud douchen deed ik 2 minuten. 

Buiten douchen deed ik elke dag tot het water in de tuinslang bevroor. 

Wel jammer want binnen is de water temperatuur een stuk hoger in de winter. Een van de grote voordelen is, dat we vorig jaar de verwarming nauwelijks aan hebben gehad. En zo wel, niet hoger dan 18 graden. 

Ik hou van kou. Echt. Ik heb er gewoon nooit enorme problemen gehad. En dan heb ik het niet over kou tot op het bot, maar een koude winterdag buiten met een warmend zonnetje, wegtrekkende mist… Ik hou ervan. Mijn hart gaat er letterlijk sneller van kloppen, met als voordeel dat ik het gewoon niet koud heb. 

Echte kou met temperaturen onder de -10 graden voor langere tijd kennen we eigenlijk niet meer in Nederland. Dus zijn we (ja ik generaliseer, sorry not sorry) gewend geraakt aan het comfort van warmte. 

We staan op uit een hopelijk warm bed en de nachttemperatuur in de meeste huizen zal niet onder de 15 graden zijn gedaald. 

Dus stel je eens voor dat je na een lange winter in de lente naar buiten gaat bij 15 graden. De zon schijnt en ik zie de meeste mensen hun winterjas aan de wilgen hangen. Bij 18 graden doen de meeste ook hun trui uit en bij 20 kunnen de zomerkleren uit de kast. Begrijp je waar ik heen wil?


Nu is zonnewarmte wel tricky. Zonnewarmte heeft infraroodstraling die ons lijf tot in zijn diepst kan verwarmen. 

Daarom voelt het dus voor mij ook zo enorm prettig om eerst ijskoud buiten te douchen en bij 6 graden buiten op te warmen in het zonnetje met alleen een handdoek om. Dat voelt alsof je bij 25 graden in zee hebt gezwommen en daarna lekker opwarmt op het strand.

Het voordeel is dat die infrarood warmte ook wel even blijft hangen in je lichaam. 

Als je daarna terug komt in je huis van 15 graden voelt het serieus aangenaam. 

Dus wellicht is WHM een oplossing voor mensen om weer wat meer te wennen aan kou.

Heb je de verwarming dan op 15 graden staan, dan slaat die vanzelf aan als het buiten kouder wordt dan 15 graden. 

Ik weet het 15 graden is wel koud als je stil zit op de bank, maar ik los dat op met een echt warme trui. Geen polyester troep, maar degelijk materiaal, dat je echt helpt om je lichaam tegen kou te beschermen. Een goeie deken over mijn benen en wat kaarsjes aan overdag zorgt in ons ongeisolleerde huis dat de temperatuur al stijgt naar 18 en daar kan ik persoonlijk prima mee thuis werken. 

Maar WHM doet voor mij wel meer dan dit voordeel. Ik hou wel van een borreltje op zijn tijd. En hoe ouder ik word, hoe slechter ik alcohol verwerk, met als gevolg dat ik de volgende dag katerig en moe ben. De ademhalingsoefeningen van WHM zorgen er bij 2 a 3 sets voor dat ik nergens meer last van heb. Mijn energielevel is gestegen en ik functioneer als elke andere dag. Nu wil ik je niet aanmoedigen om te veel te drinken, maar ik vond dit wel het vermelden waard. 

Doordat ik chronisch ziek ben heb ik regelmatig te kampen met dagen die echt niet ok zijn energie technisch. Dat voel ik zodra ik opsta. Maar door juist een klein beetje meer aandacht te besteden aan dat aspect weet ik exact wat ik op een dag aankan en, dat ik met een extra ademhalingsset ook nog tijd over hou voor leukere dingen ‘s avonds. 

Ook de somberheid is een stuk minder in de winter. Ik heb er net als veel mensen last van als de zomer overgaat in de herfst en ik hou gewoon niet van de winter. Toch voel ik me nu veel stabieler op winterse grijze dagen. 

Dus al met al heeft kou echt veel voordelen. 

Mocht ik je nou hebben geïnspireerd met mijn geratel, dan raad ik je aan om eens een kijkje te nemen bij Joost Singer. Hij zit in Twente en is een van de gecertifieerde WHM trainers die je op een hele zachte manier helpt om je eigen te maken met deze methode. https://joostsinger.nl/

Dus, winter… kom maar op! 


Januari ‘22


Maart ‘22










zondag 8 mei 2022

Moederdag

Moederdag.

Dat is wel zo’n dingetje. Beladen wel. 

Elke jaar krijg ik lieve berichtjes van vriendinnen die mij ondanks dat we geen kinderen hebben kunnen krijgen er aan herinneren dat ik een topmoeder zou zijn geweest. Ik haal dan altijd mijn wenkbrouw omhoog. 

Ik weet namelijk niet of dat zo is. 

Het is wel goed zo, want we zijn al een jaar of wat erg blij met ons leven met ons tweetjes. 

Ik vraag me wel eens af of onze relatie het had gered met kinderen. Dat klinkt misschien heftig, maar ik en vaak ziek en ziekenhuis maakt het idee kinderen, die diepe wens eigenlijk een stuk minder reëel. 

Natuurlijk hadden we het pad van IVF en nog meer artsen kunnen lopen, maar achteraf ben ik blij dat we de natuur haar gang hebben laten gaan en nu dus geen kinderen hebben, die misschien ook wel in een wereld terecht zouden zijn gekomen die ik niemand kan verkopen als veilig, beschermd en ok om als kind op te groeien. En hoe had ik ze kunnen beschermen zonder ze op te sluiten in de kelder? Zie, ik zou geen beste moeder zijn geweest en dat vind ik prima. 

Ik kan nu af en toe kijken naar kinderen van vrienden, naar huis nog een flesje wijn opentrekken, tot diep in de nacht schilderen, schrijven of netflixen en er is niemand die me stoort. Alleen manlief die toch de muziek een stukje zachter wil midden in de nacht.

Terwijl ik het schrijf klinkt het een beetje zielig, maar zo voel ik het niet. Ik ben, of eigenlijk wij zijn dik tevreden zo. We hebben oprecht meer vrijheid. 

En dan is er nog dat andere beladen onderwerp. Ik HEB nog een moeder. Sommige vrienden en familie van ons hebben geen moeder meer en sommigen ervaren moederdag dan ook als een verdrietige dag, omdat ze hun eigen moeder missen. Dat is heftig om te zien, dan zou ik ze willen knuffelen en willen vertellen dat ze niet alleen zijn. Hoewel niets moederliefde kan vervangen natuurlijk. 

Vandaar dat ik dan ineens uitkom op leven. 

Leven, ongeacht welke (moeder) dag het is, is toch wel het mooiste wat er is. Het is me gegeven door mijn eigen moeder en zodoende kan ik alles wat hier op aarde te vinden is uitvogelen tot ik er niet meer ben. En hoe cliché dat ook klinkt, het is waar en geldt uiteindelijk voor iedereen. 

Moederdag is een dag om het leven te vieren maar ook om herinneringen te koesteren. 

En ja je mag natuurlijk verdrietig zijn, maar dat verdriet echt voelen, maakt ook dat je weet dat je leeft en dat dat iets kostbaars is. 

En ja, ik voel me wel eens verdrietig op moederdag omdat er geen roodharig monster door de slaapkamer rent met ontbijt op bed of een zelfgekleide asbak die ik ergens moet zien weg te moffelen. 

Dus heb ik besloten: ‘ik ga een feestje hebben op moederdag’. 

Ik leef.

Met dank aan mijn moeder en haar moeder.

Met dank aan alles waar we mee verbonden zijn.

Ik ben en Wij zijn.

Moeder. 



woensdag 6 april 2022

Toen de Duitsers kwamen. (Een herinnering)

Ik kan me een gesprek herinneren met mijn opa en oma. 

Als kind logeerde ik daar vaak. 

“Voor het slapen deed mijn oma de gaskachel hoger, ik kreeg wat drinken en nootjes en dan staarden we zonder iets te zeggen naar de vlammetjes van de gaskachel.”

Soms vroeg ik naar de oorlog, hoe dat was voor hen? Het waren ‘spannende’ verhalen. 

“Ze zaten allebei bij het verzet en woonden bij de dominee; die onder de neus van de Duitsers joden verborg op zolder.” 

Mijn oma kon het prachtig vertellen. En mijn opa vertelde soms ook, ookal was hij meestal een stille man die zijn glaasje jenever bij het kaarten dronk en naar mijn oma en mij luisterde. 

“Hij vertelde, dat hij een keer een tas vol voedselbonnen smokkelde en werd aangehouden door de bezetters. Hij stopte dan even met vertellen en op dat moment, dan stokte mijn adem tot hij weer verder sprak met pretlichtjes in zijn ogen. Hij bood ze een worst aan die boven op de bonnen lag en zo werd hij doorgelaten.” 

Elke keer moest ik dan zo hard lachen als het verhaal was afgelopen. “Geweldig, hoe hij de bezetter zo voor de gek had gehouden.” 

Ik realiseerde me toen nog niet dat dat ook heel anders af had kunnen lopen. 

“Op een avond vroeg ik hem eens wat ze overdag deden, behalve zich verzetten en doorgaan met leven?

En dan zeiden ze allebei:”vogels kijken!” ‘Vogeltjes, die vlogen gewoon door, zelfs als het luchtalarm afging’. Vaak keken ze elkaar dan aan met een blik van verstandhouding.”

Toen ik ouder werd, bedacht ik me dat ze me niet alles vertelden, omdat ik toen nog zo jong was en niet begreep wat oorlog eigenlijk is. Nog steeds niet helemaal, gelukkig.


“Ik herinner me, dat we samen naar de voederplank keken die voor het raam stond in hun tuin. 

Vogels zijn altijd vrij, zei mijn opa. Dan knipoogde hij naar me en nam een slok van zijn jenever.

Ik vroeg dan welke vogel het was en vervolgens belandden we in een discussie over het verschil tussen een zanglijster en een vrouwtjes merel”. 

De herinnering aan die vogels en het verband met de tweede wereld oorlog was al een beetje verloren gegaan, tot Putin Oekraïne binnenviel en ik met tranen in mijn ogen naar buiten keek.

Buiten zaten 2 zwarte spechten op de eik en een groep meesjes en vinken op de voederplank voor het raam.

“Vogels: ze staan symbool voor vrijheid.”

Ze staan voor bevrijding van onderdrukking. Ze staan voor hoop… 

Vogels symboliseren zoveel!

Inmiddels ken ik elke vogel bij naam in onze tuin. Zelfs de nieuwkomers die ik nog nooit eerder had gezien blijven bij ons plakken. 


“In het landschap achter onze tuin meandert een beek waar zelfs ijsvogels al een thuis hebben gemaakt en waar een stel kraanvogels elk jaar terug komt. Af en toe spot ik zelfs een fazant die inmiddels zeldzaam is geworden.”

Als mijn opa en oma nog hadden geleefd hadden ze het fantastisch gevonden hier. 


Wat vrijheid betekend weten de meesten van ons niet echt meer. Maar het is alles, behalve vanzelfsprekend. De ‘wat als’ scenario’s vliegen me de laatste weken vaker om de oren. En ik vraag me af:”Hoe zou ik zijn als de oorlog optrekt naar ons land?” 




dinsdag 29 maart 2022

Doodsschreeuw

Iets schreeuwt er in het bos. De kreet krijst door merg en been, gaat dwars door huid en haar. De pijn wordt opgenomen als onzichtbare energie. 

Het is donker. Net iets voor middernacht, als mijn nekharen recht overeind gaan staan en mijn maag zich samenknijpt. Mijn hart huilt en de brok verstikt de tranen in mijn keel. 

Ik denk aan mijn kat. 

Hoe Tommy ooit eens net zo schreeuwde. Hij had met iets gevochten. Of eigenlijk iets had met hem gevochten. De angst kon ik ruiken aan zijn vacht toen hij voor het kattenluikje neerstortte en ik hem oppakte. 

Die schreeuw kwam nog veel vaker. Tommy had een chronische alvleesklier ontsteking, waardoor hij aanvallen van extreme pijn kreeg. Dan schreeuwde hij ook. Met alles wat hij in zich had verwoordde die schreeuw, dat dat moment een kleine dood was. 

De verbinding die we hadden maakte dat ik hem kon voelen. En hij mij. 

Sindsdien weet ik dat mens en (huis)dier verbonden zijn op een dieper niveau dan ik op rationeel niveau kan verklaren.

Ik vraag me af wat het was in ons bos? Een kat, een konijn, of een haas? 

Alles in me wil naar buiten rennen om te helpen. Maar ik zit versteend op de bank naar mijn spiegelbeeld te kijken in het donkere raam. 

Op de radio komt een spotje voorbij. Over de dood, dat je erover moet praten, niet er overheen. 

Nu biggelt er een traan. Mijn schonezus en mijn kat zijn allebei op dezelfde dag in november overleden. 

En ik praat er nauwelijks over. Niet zoveel althans. Alleen zeg ik af en toe hardop dat ik ze zo mis met natte ogen, omdat het verdriet ineens rauw naar de oppervlakte golft en ik het in woorden moet uitbraken.

Ter afleiding scroll ik door de kunstpagina’s op instagram. 

Nog meer dood. Nog meer ellende. 

Diep verdriet om Oekraïne. Uitingen van intens verdrietige kunstuitspattingen, van verdriet en verlies in heldere geel blauwe kleuren. 

Zelfs de stilte in huis is dodelijk op dit moment. 

Plots, rolt mijn tekenpen van de tafel af. 

De punt breekt af en het ligt stil, alsof zelfs die pen net is overleden. 

Ik huil. 

Ik huil om het verlies van mijn dierbaren, het verlies van onbekende strijders en strijdster. Huilen, omdat naast al dat verdriet het besef bestaat dat ik leef en dit naast dat verdriet bestaat. 

Dus ja, de dood, ik praat er over. Nu wel, want het is verschrikkelijk veel en enorm rauw. Of rouw, het is maar hoe je het ziet. 

Als de laatste oersnik opdroogt pak ik mijn pen op. Ik plug er een nieuwe punt op en teken. Ik teken, omdat ik niet anders kan nu. 

Het is tekenen of ‘doodgaan’ van verdriet…





woensdag 9 maart 2022

Kunst moet toegankelijk zijn voor iedereen. Dat is een uitspraak die je vaak hoort als je over kunst praat of leest. 

Voor mij is dat een understatement. 

Ik heb dus ook niets met ingewikkelde kunst. Het soort waarvan de kunstenaar is opgegaan in een eigen leefwereld die zonder uitleg een explosie is van beeld. Soms enorm vaag, soms kleurig en soms lijkt het alsof een kleuter van 4 het heeft gemaakt. 

Kunst is zo veelzijdig dat het soms lastig is om te bepalen of het kunst is. 

Ik maak geen onderscheid meer tussen professionele kunst, of een project van een “amateurkunstenaar”. Ik ken er inmiddels genoeg die beter in staat zijn een beeld vast te leggen, dan de kunstenaar die 24/7 in een atelier een gevecht aangaat met een eigengerichte fascinatie. 

En om die redenen, ben ik geen kunstkenner. 

Ik heb me ook nooit verdiept in stromingen. 

Zo loop ik af en toe tegen iets aan wat me raakt en dan onthoud ik vaak tijdelijk, dat ik dat mooi vind om naar te kijken. (Of dat ik me afvraag waar de techniek vandaan komt.)

Kunst is naar mijn idee, al vele malen opnieuw uitgevonden. 

Creativiteit is een ander verhaal. 

Creativiteit is een stroom die op gang komt als iemand geinspireerd raakt. Bijvoorbeeld door een mooi beeld, maar het kan ook een perfect gegaarde aardappel zijn, of een stuk in de krant wat lekker wegleest. Een goed gesprek waardoor echt contact gemaakt wordt, doet dit ook voor mij. 

Ik ben fan van Julia Cameron. 

Zij is een inspirator voor mij. Zij maakt kunst-maken toegankelijk voor iedereen.

Elke dag intuitief bezig zijn zonder dat het ‘iets’ moet voorstellen. Zij doet dit met ‘de ochtendpagina’s.’ Je schrijft elke dag 2 a4tjes vol met alles wat er in je opkomt. Het hoeft niets te zijn of een doel te hebben. 

Door die oefening leerde ik loslaten. 

Loslaten dat mijn kunst ‘iets’ moest voorstellen, waardoor ik vergat plezier te hebben. Dat is ook het moment dat ik vastloop. Of in begrijpelijke taal:”er geen zin meer in heb.”

Ik hou er enorm van om ongecontroleerd en zonder regels mijn gang te gaan. En dat levert niet altijd het beeld op, wat ik eerder in mijn hoofd had. 

Je kunt je afvragen of dat moet? Moet het beeld altijd kloppen? 

Ook die vraag is niet zo belangrijk meer, want het idee is bijna altijd plezier hebben in de weg er naartoe. 

Hoe langer ik pruts met een ding, hoe ‘slechter’ het wordt. De ziel vervaagd en laat zich alleen nog maar vangen als het in de prullebak beland en ik opnieuw begin. Dat geldt voor elke keus die je maakt.

‘Mijn kunst’… stelt daardoor helemaal niets voor en daardoor is het dus ook nooit af. 

Of het knap is, is een vraag die alleen de toeschouwer kan beantwoorden. 

En of het mooi is?